|

Het hekelen was eeuwenlang noodzaak

door Frans Broekhuis

Ooit was het een van de bloeiende takken van nijverheid in Twente en de Achterhoek. Anno 2009 is de vlasteelt al lang verdwenen. Maar in wandversieringen, in namen en uitdrukkingen zijn de sporen van een eeuwenoude cultuur nog steeds terug te vinden. In het jaar van de traditie daarom alles om het zware werk van hekelen, repelen en braken.

Tot 1850 is de vlasteelt van groot belang geweest voor iedere boer in Twente. Het zelf verbouwen en bewerken van vlas was noodzaak voor elke jonge vrouw om de linnenkast goed gevuld te krijgen. Daaruit konden dan weer allerlei kledingstukken worden gemaakt. Alleen met een flinke uitzet kon ze immers trouwen.

Na 1850 namen de fabrieken, mede door de uitvinding van de stoommachine, die productie van kledingstukken over. Menig Twentenaar ging met al zijn ervaring in de vlasverwerking in zo’n fabriek werken en kon met het verdiende geld voortaan zelf de nodige kleding kopen als er de noodzaak toe was.

Hoe anders was het in de eeuwen daarvoor. Elke boerderij beschikte over een paar are grond speciaal voor de verbouw van vlas. In Losser bijvoorbeeld herinnert hieraan nu nog de straatnaam Vlasakker.

Er waren twee soorten vlas: het kortere olievlas, waaruit onder andere olie voor de olielamp gewonnen werd, en het langere vezelvlas (lengte 80 tot 120 cm) voor de productie van linnen. Begin april werd er gezaaid, de bloeitijd met blauwe of witte bloempjes was in juni. Eind juli werd er geoogst.

De vlasstengel werd dan met wortel en al in een draaiende beweging uit de grond getrokken: de volledige stengel diende namelijk benut te worden, want onderin zaten de beste vezels om het linnen van te maken. Een dag of vier bleef het vlas op het land liggen om te roten. Door de inwerking van dauw liet de pectine los, die de binnenste vezels met de houtige stengel verbond. Aan dit roten herinneren namen als Rotboer, Reutum en de Losserse wijk ’t Rot of Vlasreutenweg.

Repelen

De eerste bewerking van het vlas op de boerderij was het repelen. Daarvoor had de boer een zelfgemaakte repelbank, met in het midden een rij ijzeren tanden (als een soort kam) in de breedterichting. Aan beide uiteinden van de bank zaten de boer en boerin, die met een slag een bundel vlas door die rij tanden naar zich toe trok, om zodoende de zaaddozen eraf te kammen. Met de wanne werd het zaad van de resten gescheiden.

Uit het zaad perste de olieslager lijnolie, die gebruikt werd voor de olielamp, voor verfbereiding en brood, of om de huid in optimale conditie te houden. Uit de overgebleven vaste delen van het zaad werden veekoeken geperst als lekkernij voor de koeien.

In het Twents hoor je wel eens: ā€šHoevƶl hej der an ’n reppel stoan?’ als iemand de rijkdom van een boer wil inschatten. Met enige fantasie wordt met die ā€˜reppel’ de rij tanden op de repelbank bedoeld. Koeien stonden vroeger bijna net zo aan een rij palen langs de deel.

Zwingelen

De volgende bewerking was het zwingelen. Die zwingel werd ook weer door de boer zelf in elkaar getimmerd, met als doel de laatste zaden en ongerechtigheden van de stengel af te slaan. In de ene hand had de boer een bosje vlas en in de andere hand een soort houten plank om die slagbeweging te kunnen maken tegen een staand houten schot. Dat was zwaar werk waarbij je flink aan het zweten kwam en ook nog zeer ongezond vanwege de grote stofontwikkeling. Longaandoeningen kwamen dan ook vaak voor.

Loszittende houtdeeltjes vielen constant naar beneden en werden ’s winters gebruikt op de aardappelkuil, tegen de vorst. Tegenwoordig zie je verwerking in meubelplaat, isolatiemateriaal en vormdelen van auto’s.

Braken

Om de houtige stengel nog verder los te maken, moest men die braken. De dagen ervoor hadden de bossen vlas in de brandend hete augustuszon gelegen om echt bros te worden. Vaak werd de zuidhelling van een dak daarvoor benut. Onder een soort houten hefboom (de braak) werd vervolgens de stengel gebroken en gekneusd. De gebroken houtige buitenkant liet zo los van de vezels in de stengel. Om die vezels ging het. De namen Ter Brake, de Broak en Braakhuis zijn afgeleid van deze bewerking.

Hekelen

De laatste bewerking van de vlasbundels was het hekelen. De hekel was een soort houten plank met een flink aantal ijzeren tandjes erop, gegroepeerd in een vierkant in meerdere rijen. Soms was hij ook wel rond met meerdere rijen tandjes. Door een handvol gekneusde vlasstengels over die pinnen te slaan, kamde je alle houtige delen en andere resten eruit om een keurige streng vezels over te houden. En juist om die vezelstreng ging het voor de bereiding van linnen.

Die hekel met zijn scherpe pennen was een gevaarlijk ding waaraan je je lelijk kon bezeren. Vandaar de uitdrukking: iemand over de hekel halen, of ergens een hekel aan hebben.

Spinnen

De streng vezels was nu klaar om ermee te gaan spinnen op het spinnewiel, om al werkende een keurige linnendraad te krijgen. De streng vezels werd er met een speciale vlecht op bevestigd: de vlasrok. Het spinnewiel diende, anders dan bij wol, linksom te draaien. Dit in verband met het in elkaar grijpen van de weerhaakjes op de vezel.

Een bakje water om de vingers nat te houden was voortdurend binnen handbereik: het oplossende lijmlaagje hielp mee een gelijkmatige draad te vormen en gaf tevens een mooie glans aan het geheel. Om pijnlijke, gevoelige dunne vingers te voorkomen, werd hierop vaak wat berkensap gesmeerd. In dit verband ontstond de term natte vingerwerk. Vanaf de spoel wond men de draad hierna op een haspel en konden de strengen eventueel gekleurd worden.

Tijdens de lange winteravonden hadden de jongelui, net als tegenwoordig, behoefte aan gezelligheid. Het zwaarste werk was gedaan en een groot aantal jonge spinsters verzamelde zich voor een spinvisite op een afgesproken plek, waar de ouwelui meestal van huis waren. De avond begon met een spin-, brei- of haakwerkje, gezellig kletsend met elkaar. Weldra dienden zich ook jongemannen aan en vaak eindigde de avond in een vrijpartij elders in de boerderij.

Aan de vezelstreng op het spinnewiel (de vlasrok) kon men zien wie er nog vrij was. Bij vrijgezelle vrouwen had de vlasrok een blauwe strik en bij een getrouwde vrouw een rode strik. Natuurlijk werd er wel eens iemand te pakken genomen. Zo ontstond de uitdrukking: iemand een blauwtje laten lopen. De spinvisites waren zeer tegen de zin van de pastores, die preekten over losbandigheid en de weg des verderfs.

Weven

Naderhand werden de al dan niet gekleurde draden tot een doek geweven op het weefgetouw. Daarvoor moesten eerst lange draden op de ronde weefboom gezet worden (kettingdraden ofwel schering). Al werkende werd overdwars een draad ingeweven (inslag). Uit dit werk ontstond de uitdrukking: schering en inslag (dus heel vaak) en: een boom over iets opzetten (langdurig over iets uitweiden).

Bleken

Om de geweven lappen stof goed wit te krijgen, moesten die worden gebleekt op de bleekweide. Dat was meestal vrouwenwerk. Dit werk gebeurde meestal bij helder, zonnig weer in het voorjaar. De lappen stof moesten geregeld gekeerd en met water uit de bleekkolk begoten worden. Hiervoor werd een klomp met een lange steel gebruikt (de gietklomp). Aan lange banen stof waren lussen gemaakt aan de zijkant om ze met houten pennen windvast en mooi strak op het grasveld te kunnen spannen. Kokend water afkomstig van houtas hielp ook goed voor het mooi wit worden van het linnen.

Een kabinet vol met rollen mooi wit linnen was de trots van elke boerin. Daarvan maakte de boerin beddenlakens, hemden, schorten, bindhemdrokken voor de oogst, gordijnen, zakdoeken, theedoeken en mutsen. Ook fijnere zaken zoals ondergoed voor kinderen, knipmutsen en damasten tafellakens van heel hoge kwaliteit werden thuis op elke boerderij gemaakt. Het laatst te dragen kledingstuk, het linnen doodskleed (hennekleed), lag klaar vanaf de eerste trouwdag.

Broeken en buizen voor het manvolk moesten gekleurd worden. In een zinken of houten kuip werden ze bedekt met modder uit de sloot, waarin elzebladeren lagen te rotten. Met blote voeten werd erover gelopen om de kleur goed in de stof te laten trekken.

Alle doeken die niet voor eigen gebruik waren, werden al rondtrekkend met een korf op de rug aan de man gebracht. Met wagens vol linnen reed men ook naar de ā€˜doekmarkten’ in Zutphen of Deventer.

Wat overbleef

Rond 1850 nam de vlasteelt, die al bij de oude Egyptenaren en Germanen bekend was, af. Door de opkomst van de industrie verplaatste de linnennijverheid zich naar fabrieken. Wat overgebleven is, zijn allerlei uitdrukkingen, spreekwoorden, plaats- en straatnamen en, niet te vergeten, Twentse erfnamen.

Losser is zelfs nog in het bezit van een originele dorpsbleek met bleekwachtershuisje. Verder zijn er nog twee ā€˜slapende’ bleken: de Smitkes Bleek aan de Gildehauserweg in de buurt van erve Kraesgenberg en de Ellermansbleek in de richting van Overdinkel. Elders bleef meestal minder over van wat ooit een bloeiende Twentse cultuur was: de hekel aan de wand en de gietklomp.

Bron: Het Wevershuisje aan de Kerkengang te Almelo. Voorwerpen uit archief historische vereniging De Dree Marken, De Lutte. Dit verhaal is een bewerkte versie van een verhaal dat eerder in het blad van de Lutterse vereniging stond.

Fotobijschriften bij het originele artikel

• Samen op de repelbank: een boer en zijn vrouw repelen het vlas.

• Het weven van linnen was lange tijd een vaste taak voor boerenvrouwen. Hier demonstreert een vrouw de kunst in Het Wevershuisje in Almelo.

• Vlasplanten op een akker.

• (foto’s: Het Wevershuisje)

Vergelijkbare berichten